Geschiedenis van de doping

1972

Aan de Sporthochschule Köln werd onder leiding van Manfred Donike (1933-1995) het eerste dopinglabo opgericht.

In juni 1972 verscheen een artikel in het Duitse dagblad 'Bild' waarin een journalist zich afvroeg:

"Een massieve figuur, een baard en een diepe stem, is dat het laatste redmiddel voor Westerse topsportsters als ze een Olympische medaille willen winnen ? "

image002.jpg

In de jaren 1930 kregen Scandinavische lopers een transfusie van eigen bloed om het aantal bloedlichaampjes te verhogen. In 1972 ontdekte Dokter Björn Ekblom, inspanningsfysioloog aan het Sport and Gymnastics Institute in Stockholm dat een bloedtransfusie de zuurstofopname met 9% verhoogde en dat het atletisch potentieel steeg met 23%. Daarmee is hij de uitvinder van de ‘blood packing’, een bloedafname die gevolgd werd door het verhogen van de concentratie rode bloedcellen in een centrifuge en nadien werd dit alles via een transfusie terug aan de ‘eigenaar’ bezorgd.

American Football

Geruchten wilden dat sommige in het Amerikaanse Alabama high school coaches hun football spelers het gebruik van Dianabol adviseerden om toe te nemen in gewicht.

image008.jpg

De eerste systematische evaluatie van de incidentie van amfetaminegebruik in het Amerikaans professionele football onthulde dat meer dan de helft van de spelers dat dopingproduct gebruikte. George Burman (1942-), in de jaren 1960 actief bij drie verschillende NFL teams, schatte dat 30% van de spelers aan de drugs zat. Een interview met 87 spelers uit elf NFL ploegen reveleerde dat  60% van de spelers ‘soms’ en meer dan 50% 'regelmatig' amfetamines nam. De studie toonde ook een positie gerelateerde dosering aan. Quarterbacks of wide receivers gebruikten relatief lage doseringen om hun energie te verhogen en hun 'creatieve performance' te verbeteren, terwijl defensieve linesman de hoogste dosissen slikten om een gevoel van onbevreesdheid of paranoïde woede op te wekken. Het amfetaminegebruik in het professionele football was relatief open en bij sommige ploegen ging voor de wedstrijd een koekjestrommel rond met meerdere soorten amfetaminen.

image009.jpg

Het gebruik van cocaïne was een ander chronisch probleem bij NFL-spelers. Carl Eller (1942-), linesman van de Minnesota Vikings, schatte dat 40% van de spelers regelmatig snoof.

Atletiek

image599.jpg

In augustus 1972 schreef Hansjörg Kofink (1938-) de trainer van de West Duitse kogelstootsters, een open brief aan zijn Olympisch Comité:

image600.jpg image601.jpg

"Van de jaren 1963 tot 1969 was er in het kogelstoten een explosieve reeks verbeteringen van het wereldrecord door de Oost Duitse Margitta Gummel (1941-) en de Russische Nadezhda Chizhova (1945-). De ontwikkeling op de volgende twintig plaatsen van de wereldranglijst hield deze vooruitgang niet bij. Op grond van ervaringen die ik sedert 1970 tijdens mijn trainersactiviteiten en de daarmee samenhangende internationale contacten verzamelen kon, staat het voor mij onomstotelijk vast dat deze ontwikkeling ondenkbaar is zonder anabolica of andere gelijkaardig werkende middelen. Daarbij kunnen we met zekerheid stellen dat in de DDR en Rusland de fase van het experimenteren met deze stoffen reeds lang voorbij is en ze vermoedelijk met betere (= meer compatibele) middelen werken, terwijl in de rest van Oost Europa de fase van experimenteren bezig is met het oog op de Spelen van München."

Skiën

image007.jpg

Met zeven Olympische medailles was drievoudig Olympisch kampioen Eero Mäntyranta (1937-2013) een van de succesvolste Finse skiërs ooit. Maar hij was ook de eerste Fin die positief testte op doping. Na het nationaal kampioenschap van 1972 bleek dat hij amfetamines had gebruikt, maar die testen werden weggemoffeld. Op de Olympische Winterspelen van dat jaar in Sapporo, kwamen de feiten toch aan het licht. Eerst ontkende Mäntyranta, maar later gaf hij toe dat hij hormonen had gebruikt die tijdens zijn sportcarrière nog niet verboden waren. Mäntyranta zou primaire familiale en congenitale polycytemie (PFCP) hebben, die een toename veroorzaakt van het aantal rode bloedcellen en het daarbij horende hemoglobine. Dit als gevolg van een mutatie in het erytropoëtine receptor (EPOR) gen, dat in 1993 na een DNA-studie bij meer dan tweehonderd van zijn gezinsleden, geïdentificeerd en gerapporteerd werd. Deze toestand resulteerde in een 50% toename van de zuurstofcapaciteit van het bloed, een enorm voordeel bij uithoudingsproeven.

Wielrennen

image308.jpg

De Belgische renner Pierre Bellemans (1949-1972), die na het WK in Mendrisio een profcontract ondertekende bij het Italiaanse team SCIC, stierf een plotse dood. Hij maakte de hele voorbereiding mee van de Belgische liefhebbersploeg die op de 100km tijdrit verrassend wereldkampioen werd. Ludo Vanderlinden (1951-1983), Louis Verreydt (1950-1977), Staf Hermans (1951-) en Staf Van Cauter (1948-) gaven met meer dan 1min30 voorsprong de Nederlandse superfavorieten het nakijken. Freddy Maertens (1952-) en Marc Demeyer (1950-1982) namen als reserve eveneens deel aan de voorbereidingen. Louis Verreydt stierf in 1977, Marc Demeyer in 1982 en Ludo Vanderlinden in 1983. Allen aan een hartstilstand. Maar ook Florent Van Kerckhove (1948-1972), die aanvankelijk was aangeduid maar later naast de selectie viel, stierf op 24-jarige leeftijd. Staf Van Cauter bekende in 1999 aan het Nederlandse tv-programma Netwerk dat hij anabolica en corticoïden had gebruikt.