Anekdotes Olympische Spelen

Parijs 1900

image001_5_polo.jpg

Dat hij zijn tweede Olympische Spelen aan de Wereldtentoonstelling van Parijs koppelde was voor Pierre de Coubertin (1863-1937) pure financiële noodzaak. Hij had namelijk op subsidies van de Franse overheid en op steun uit de financiële wereld gerekend, maar beide instanties kwamen niet met het nodige geld over de brug.

De organisatoren van de Wereldtentoonstelling aanvaardden zijn aanbod, maar beschouwden de Spelen als een nevenactiviteit, in zoverre dat er zelfs geen opening- en sluitingsceremonie was.

Bovendien werden de competities over vijf maanden gespreid, van 14 mei tot 28 oktober.

Programma

Een goed gevuld, maar pover georganiseerd aanbod: atletiek, boogschieten, cricket, croquet, golf, paardensport, pelotta, polo, roeien, rugby, schermen, schieten, tennis, touwtrekken, turnen, voetbal, waterpolo, wielersport, zeilen en zwemmen

Ook vissen, ballonvaren, kanon schieten, brand bestrijden, vliegeren, redden, autoracen, motorfiets racen, duivenwedstrijden, motorboot racen, petanque en longue paume op het programma, maar die disciplines werden door het IOC niet erkend.

Daarnaast waren er nog 71 wedstrijden voor scholen en 92 voor militairen, verspreid over verschillende sporten.

Deelnemers

Optimisten gingen ervan uit dat er 71.230 sporters aanwezig waren, waaronder 1.960 buitenlanders.

Maar de scholieren die aan onverwachte disciplines zoals hinderniskoersen deelnamen werden ook meegerekend.

Andere bronnen schatten het aantal deelnemers tussen 1.000 en 60.000.

Het Olympisch Comité zelf hield het in zijn annalen bij 997 sporters uit 24 landen, die 90 proeven in 19 verschillende sporten betwistten.

Voor het eerst ook vrouwen, al waren het er maar elf.

Eerste gekleurde deelnemer

image001_1.jpg

Constantin Henriquez de Zubiera, een student Geneeskunde van Haïtiaanse oorsprong, was de eerste gekleurde deelnemer. Met de Franse ploeg won hij de eerste Olympische rugbytitel. Later haalde hij met zijn ploegmaats de tweede plaats in het touwtrekken. Met Stade de France kroonde hij zich ook driemaal tot nationaal rugbykampioen. In 1904 introduceerde hij het voetbalspel in zijn thuisland, bovendien scoorde hij voor Haïti het allereerste doelpunt ooit. Met zijn broer Alphonse die advocaat was, stichtte hij l'Union Sportive Haitienne en in 1950 werd hij in zijn land tot senator verkozen.

De meest succesvolle deelnemers

Met 101 podiumplaatsen, waaronder 26 overwinningen, 41 tweede plaatsen en 34 derde, domineerden de Franse atleten het gebeuren. Al blijft de vraag welke evenementen hiervoor in aanmerking kwamen. De Verenigde Staten eindigden op rang twee, de Britten op drie.

image003_4_polo.jpg

De Amerikaan Alvin Kraenzlein (1876-1928), die later afstudeerde als tandarts, won vier olympische titels: 60m, 110m horden, 200m horden en het verspringen. Hij was de eerste die de moderne hordentechniek toepaste waarbij het voorste been gestrekt blijft. Toen hij zich één jaar later uit de actieve sport terugtrok hield hij zes wereldrecords.

image003_6.jpg

De populairste sporter was de Amerikaan Ray Ewry (1873-1937). De Parijzenaars noemden hem 'rubberman', zijn landgenoten hadden het over 'The Human Frog'. Ewry won dezelfde dag de drie springnummers zonder aanloop: hoog met 1m65, ver met 3m21 en hink-stap met 10m58. De prestaties van Ewry waren opmerkelijk omdat hij door polio op vijfjarige leeftijd in een rolstoel was beland en daarna op eigen houtje aan zijn revalidatie werkte. Eenmaal van die rolstoel bevrijd trainde hij zijn beenspieren met nooit geziene ijver, zodat hij in 1890, toen hij aan de Purdue University ging studeren, een echt springwonder was. Op de Spelen van 1904 en 1908 verdedigde hij zijn drie titels met glans. De 3m47 in het verspringen uit stand, die hij in 1904 lukte, bleef als wereldrecord overeidn tot 1938, of net zo lang als de wedstrijd betwist werd. Toch beheerste de vroegere polio zijn leven, hij bleef hinken en stierf op 64-jarige leeftijd aan beendertuberculose.

image005_7.jpg

Irv Baxter (1876-1957) nam deel aan vijf verschillende springnummers, waarvan hij er twee won en driemaal als tweede eindigde. De Amerikaan won het hoogspringen en het polsstokspringen, maar moest na dit laatste nummer wachten om die titel in ontvangst te nemen. De competitie stond immers op zondag geprogrammeerd en omdat ze omwille van religieuze redenen niet waren opgedaagd, protesteerden enkele rivalen hiertegen. Er werd een tweede competitie georganiseerd en de prestatie van Baxter werd verbeterd, maar de jury besloot uiteindelijk dat enkel de resultaten van de originele competitie geldig waren.

image006_38.jpg

Walter Tewksbury (1876-1968) won de 200m vlak en de 400m horden, de Amerikaan eindigde ook tweede op 60 en 100m en finishte derde op 200m horden. Na zijn sportcarrière werd hij tandarts.

Professionalisme

image010_21.jpg

Voor het eerst kwam ook professionalisme om de hoek piepen, naast een competitie voor amateurs werd ook een professionele georganiseerd. Die werd door Michael Sweeney (1872-?) gewonnen, de Amerikaan was van 1892 tot 1895 wereldkampioen. Met zijn overwinningen op de 100m, het hoogspringen en verspringen verdiende hij in Parijs 750 Franse frank. Sweeney was met een sprong van 1m97 de officieuze wereldrecordhouder hoogspringen, een prestatie die hij op 21 september 1895 lukte in New York. Het duurde tot maart 1912 vooraleer landgenoot George Horine (1890-1948) over 1m98 ging en twee maand later was diezelfde Horine de eerste die 2 meter overschreed. Die laatste sprong werd overigens als eerste officieel wereldrecord erkend. Sweeney werd een succesvol atletiektrainer die zelfs teams uit het American football onder zijn hoede kreeg. 

In de schaduw

De organisatie van de Spelen was dus in handen van het comité van de wereldtentoonstelling, dat echter weinig oog had voor de sportevenementen. Die werden daardoor in ontzettend slechte omstandigheden afgewerkt. Zo was er geen olympisch stadion en namen heel wat Parijse sportclubs de organisatie van de verschillende onderdelen in handen.

De atletiekwedstrijden werden op de grasbanen van Racing Club de France afgewerkt, de kampnummers op een gewone weide en dat zorgde voor voorspelbare incidenten.

Bovendien besliste het organisatiecomité om alle evenementen van 14 juli te schorsen om op die manier de toeschouwers naar het militair defilé van de Franse nationale feestdag te lokken. De wedstrijden werden verschoven naar de dag nadien, maar omdat dat een zondag was weigerden heel wat diepgelovige Amerikaanse atleten om aan te treden.

Onbekende jongste winnaar?

image007_3_polo.jpg

Op deze Spelen waarschijnlijk de jongste winnaar ooit. Bij het roeien zochten de Nederlanders François Antoine Brandt (1874-1949) en Roelof Klein (1877-1960) een vervanger voor hun veel te zware stuurman. Ze kozen een Frans jongetje dat toevallig langskwam en met hun drietjes wonnen ze het nummer. Na de winnaarsfoto verdween de knaap even vlug als hij gekomen was. Details over zijn naam of leeftijd waren niet bekend, maar men schat dat hij ongeveer 7 jaar oud was. Klein en Brandt hadden er overigens geen benul van dat zij aan Olympische Spelen deelnamen. Heel hun leven gingen ze ervan uit dat zij zich in Parijs tot wereldkampioen hadden gekroond. Geen medaille (een kleine vergetelheid van de organisatoren), enkel een bronzen beeldje met het opschrift dat zij tijdens de Wereldtentoonstelling een roeiwedstrijd hadden gewonnen. Vandaar de verwarring.

Beter laat dan nooit

image008_3_polo.jpg

De marathon, betwist in een loden hitte van meer dan 40°C, werd door de Fransman Michel Théato (1878-1919) gewonnen. De drie Amerikaanse deelnemers contesteerden de uitslag, volgens hen had Théato binnenwegen genomen die hij als loopjongen van een Parijse bakker bijzonder goed zou kennen. Bovendien was hij de enige zonder modderspatten. Bleek dus helemaal niet te kloppen, gezien Théato van beroep kastenmaker was. Pas twaalf jaar later bevestigde het IOC de uitslag, maar als klap op de vuurpijl kwam jaren later uit dat Théato een Luxemburger was.

De wil van God

image009_2_polo.jpg

De overwinning in het verspringen ging letterlijk niet zonder slag of stoot. Na de reeksen stond wereldrecordhouder Meyer Prinstein (1878-1925) met een sprong van 7m17 aan de leiding. Omwille van zijn geloofsovertuiging sloot de Amerikaan een akkoord met landgenoot Alvin Kraenzlein (1876-1928) om de finale niet op zondag te betwisten. Kraenzlein 'vergat' die belofte en sprong in de finale één centimeter verder. Het verhaal doet de ronde dat Prinstein toen zo kwaad werd, dat hij Kraenzlein 's avonds in het gezicht sloeg waarna een algemene knokpartij ontstond binnen het Amerikaanse team. Prinstein nam wraak met winst in het hink-stap-springen.

Boomproblemen

image770.jpg

Ook veel gemor daar in Parijs, de atletieknummers werden op een grasveld in het Bois de Boulogne betwist. Een piste was er niet en de springers moesten hun eigen landingskuil graven. Voor de werpnummers hadden de organisatoren onvoldoende ruimte voorzien, zodat heel wat discuswerpers en hamerslingeraars hun worp in een reusachtige boom zagen landen, die pal in het midden van het grasveld stond.

image010_25.jpg

De winnende discusworp van de Hongaar Rezsc Bauer (1879-1932) vloog in het publiek. De horden werden uit afgebroken telefoonpalen gemaakt. De lopers struikelden over de hobbelige oppervlakte. Kortom een boeltje van jewelste

Zwemmers opgelet

In het dorpje Asnières werden de zwemwedstrijden in een 100 meter lang vlottend bassin op de Seine betwist, niet meteen de properste of meest rustige waterweg. Het enorme bootverkeer zorgde voor ontzettend veel problemen. 76 deelnemers uit twaalf landen zwommen de 200m, 1.000m en 4.000m vrije slag, de 200m rugslag, de 200m ploegwedstrijd, de 200m hindernis-zwemmen en een onderwaterrace.

image011_3_polo.jpg

In de 200m vrije slag versloeg de Australiër Frederick Lane (1880-1969) met een chrono van 2.25 de Hongaar Zoltán Halmay (1881-1956), de winnaar van vier jaar voordien. Drie kwartier later in de 200m hindernis-zwemmen tikte Lane aan na 2.38.4, waarmee hij de Oostenrijker Otto Wahle (1879-1963) het nakijken gaf.

image012_21.jpg

Een eigenaardig nummer overigens, die 200m hindernis-zwemmen. Na het startsignaal moesten de deelnemers 25 meter zwemmen, uit het water kruipen om over een paal te klimmen, daarna over een rij boten lopen, terug het water induiken, het keerpunt nemen en onder de boten door terugzwemmen. Daarbij moesten ze tegen een enorm sterke stroming optornen. Ondanks hij van down under was, trad Frederick Lane (1880-1969) in Parijs aan voor de Engelse ploeg. In 1902 dook hij met 59.6 als eerste onder de minuut op de 100 yards vrije slag.

image013_3_polo.jpg

Nadat hij tweede werd in het hinderniszwemmen en de 1.000m vrije slag emigreerde de Oostenrijker Otto Wahle (1879-1963) na de Spelen naar New York. In 1904 won hij als Oostenrijker Olympisch brons over 440 yards vrije slag, op de Spelen van 1912 was hij coach van de Amerikaanse zwemploeg en zowel op die van 1920 als die van 1924 coachte hij het Amerikaans waterpoloteam.

image014_3_polo.jpg

De Brit John Arthur Jarvis (1872-1933) was de snelste in de ongebruikelijke nummers 1.000 en 4.000m vrije slag. Vooral artikel 16 van het toen heersende reglement willen we u niet onthouden:

"Het is toegelaten om onder de zwemmer door te duiken die voor u zwemt, maar deze heeft het recht om zijn tegenstrever onder te duwen indien die op minder dan één meter voor hem terug bovenkomt."

De onderwaterrace, het meest bizarre zwemnummer met deelname van zeven Fransen, een Duitser, een Oostenrijker en een Deen, werd door Charles de Vendeville (1882-1914) gewonnen. De Fransman zwom zestig meter onder water alvorens hij na 1 minuut en 8 seconden terug naar adem kwam happen, waarmee hij drie seconden langer onder bleef dan landgenoot André Six (1887-1914), die dezelfde afstand aflegde. Toppunt was dat Peder Lykkeberg (1878-1944) 90 seconden onder bleef, maar de Deen haalde amper 28,5 meter omdat hij in een cirkel zwom. Niet voldoende voor winst dus, want iedere seconde betekende 1 punt, maar per gezwommen meter werden daar twee punten aan toegevoegd. De enige keer overigens dat die 'attractie' beoefend werd. de Vendeville en Six sneuvelden tijdens de eerste dagen van Wereldoorlog I in Reims.

Schoonspringen

Het schoonspringen was eveneens een speciale gebeurtenis, die vanop een stelling van 10 meter hoogte werd betwist. De demonstratie op 15 augustus ontlokte bij de verslaggever van dienst het volgende verslag:

"Zweedse duikers wierpen zich met zoveel moed vanaf die 10 meter hoge stelling om, na een reeks bewegingen die het aspect vertoonden van onvergelijkbare gratie, in het water te vallen. Ze startten met een eenvoudige duik, gevolgd door andere duiken waarbij de uitvoerders één of twee volledige hetzij voorwaartse, hetzij achterwaartse omwentelingen deden, alvorens het water te raken. Eerst uitgevoerd door iedere duiker apart, herbegonnen ze daarna allemaal samen. Eén van hen had zijn kleren aangedaan, sprong van de hoogte van het paalwerk en kleedde zich zonder enige steun uit in het water, helemaal op zijn gemak zoals wij het zouden doen in onze kamer. Een andere herhaalde de oefening maar bleef dit keer zo lang onder water tot hij alle kleren uit had. Al deze werkelijk schitterende oefeningen zijn een gevolg van de reddingservaring volgens de Zweedse methode. Het organisatiecomité en de wedstrijdjury van het zwemmen kunnen deze Zweedse delegatie werkelijk niet genoeg bedanken voor de charme die ze bijdroeg aan haar bijeenkomsten."

Waterpolo deed zijn intrede

Voor het eerst, maar niet voor het laatst, ook waterpolo op het programma. Meteen de eerste teamsport op de Olympische Spelen. Meer info over het waterpolo op deze OS.

Nieuwe maar vooral bizarre nummers

Er werden heel bizarre nummers betwist, die later niet erkend werden door het Olympisch comité: lijnvissen, boules lyonnaises en pétanque, schieten met het kanon, vuurbestrijding, vliegeren, een wedstrijd met postduiven, Amerikaans football, baseball, Gaelic footbal, Hurling, redden (bij brand, uit het water, eerste hulp na ongevallen en bij militairen), motorboot- en autoracen

Touwtrekken

image016_1_polo.jpg

Bij het touwtrekken trachtten twee ploegen van acht atleten het andere team 2 meter naar zich toe te trekken. Lukte dat niet binnen de 5 minuten, dan won de ploeg die de verste lengtewinst kon voorleggen. De gemengde mannenploeg uit Zweden en Denemarken haalde het met 2-0 in 'the best of three'. Een makkie eigenlijk want enkel de Fransen waren komen opdagen. De Verenigde Staten hadden zich weliswaar ingeschreven, maar gaven forfait omdat drie van hun 'touwtrekkers' ook aan het hamerslingeren meededen en die proef genoot hun voorkeur. 's Avonds na afloop van de wedstrijden, daagden de Amerikanen de winnaars van het touwtrekken uit, maar de wedstrijd werd stilgelegd omdat de Yankees hulp kregen van toeschouwers toen ze aan het verliezen waren.

Croquet

image018_1_polo.jpg

Bij het croquet negen Fransen in kostuum en met hoed, 'noblesse oblige' nietwaar. Opmerkelijk was wel dat deze competitie in het Bois de Boulogne open stond voor zowel mannen als vrouwen. Beste speler werd de Fransman Gaston Aumoitte (1884-1957), die zowel het enkel- als dubbelspel met één bal won. Chrétien Waydelich (1841-?) won het nummer met twee ballen. Eén betalende toeschouwer, een oudere Engelse gentleman, die speciaal voor het croquet vanuit Nice was overgekomen.

Cricket

Voor het cricket schreven vier ploegen in, maar België en Nederland trokken zich terug. Met bijzonder weinig toeschouwers versloeg de voornamelijk uit ambassadepersoneel samengestelde Engelse ploeg de Fransen in de Véldrome de Vincennes. Maar geen van beide had er notie van dat ze Olympische Spelen betwistten, ook zij dachten dat de wedstrijd een onderdeel van de Expo was. Was meteen ook het laatste Olympisch optreden voor cricket.

Motorboot racen

De deelnemers moesten vijfmaal hetzelfde parcours in zee afleggen, een totaal van 40 zeemijl. Door de loden hitte kon slechts één boot de drie proeven beëindigen. En de zee ligt nu ook niet bepaald in de nabijheid van Parijs.

Pelotte basque

image019_1_polo.jpg

De wedstrijden gingen door in Neuilly-sur-Seine voor 1.000 toeschouwers, die nieuwsgierig waren om deze voor hen onbekende sport te ontdekken. Het organisatiecomité wilde professionele spelers aantrekken, maar gezien het budget amper 3 000 Franse francs was, bedankten de profs. Drie deelnemende duo's, de Spaanse Basken versloegen de Franse Basken.

Autosport

Twee soorten wedstrijden: uithouding en race. De vijf uithoudingswedstrijden werden in Vincennes betwist en hadden het testen van de voertuigen, de kwaliteit van de motor, het verbruik en het gemak van besturen tot doel. Voor de 1.448 kilometer lange race Parijs-Toulouse-Parijs schreven 55 voertuigen in, slechts 18 haalden de eindstreep, waarvan 8 auto's, 4 kleine wagentjes en 6 moto's. Er waren heel wat reeksen: kleine en grote auto's, auto's met zeven zitplaatsen, vrachtwagen en zelfs taxi's.

Ballonvaren

image021_1_polo.jpg

Ballonvaren was in die jaren een ontzettend populaire sport, er was dan ook een grote massa volk aanwezig op de vijftien wedstrijden die in Vincennes georganiseerd werden. 46 ballonnen zorgden voor een totaal van 156 vluchten, maar een onweer op de avond van 17 juni kostte het leven aan verschillende piloten.

image022_1_polo.jpg

Tijdens de hoogtewedstrijd zonder handicap, klom Jacques Balsan (1868-1956) naar een hoogte van 8.558 meter, een waar exploot. Een apart figuur overigens die Fransman. Enorm sportief, prima ballonvaarder en vliegtuigpiloot, wereldreiziger met de Filipijnen, Zuid-Amerika, Australië en China als eindbestemming, deelnemer aan de beide Wereldoorlogen en als klap op de vuurpijl een huwelijk met Consuelo Vanderbilt (1877-1964), dochter van de steenrijke miljonair William Kissan Vanderbilt (1849-1920). Dat huwelijk bezorgde hem een zorgeloos leventje, Balsan verdeelde zijn tijd tussen Parijs en New York.

image023_1_polo.jpg

Tijdens de afstandswedstrijd zonder handicap landde Henry de La Vaulx (1870-1930), een leerling van Jules Verne (1828-1905), kort bij de Poolse hoofdstad Warschau, maar tijdens de derde proef van 10 oktober deed hij nog beter. Na een parcours van 1.925 km zette hij zijn luchtballon neer in de buurt van het Russische Kiev.

Schieten op levende duiven

image024_1_polo.jpg

De Belg Leon de Lunden (1856-1947) won het schieten op levende duiven, de meest bizarre discipline ooit. De duiven werden één voor één gelost, soms op amper vijftig meter afstand van de schutter en de bedoeling was om er zoveel mogelijk neer te knallen. Bij twee missers werd de deelnemer voor verdere competitie uitgesloten. In totaal werden zo'n 300 diertjes neergehaald. Overal kronkelden verminkte duiven op de grond, bloed en pluimen dwarrelden door de lucht. Van Lunden knalde 21 vogels neer, eentje meer dan de Fransman Maurice Faure (1850-1919) en goed voor 5.000 Franse francs. De overwinning werd door het publiek en de pers echter slecht onthaald, reden waarom het nummer nadien van het olympisch programma werd geschrapt. Het gebeuren ging door 'Au Cercle du Bois de Boulogne' een constructie die nog steeds in haar oorspronkelijke staat van 1900 bestaat. 198 inschrijvingen uit 7 verschillende landen: België, Verenigde Staten, Spanje, Frankrijk, Groot-Brittannië en Italië. Vier jaar later werden de duiven vervangen door exemplaren uit klei en in 1924 werd het nummer definitief van de Spelen geschrapt.

Verspringen en hoogspringen voor paarden

Een vreemde bedoening eigenlijk, de paarden werden in galop naar een startlijn gereden, van waaruit zij zo ver mogelijk moesten springen. Winnaar met een sprong van 6m20 werd de Britse hengst Extra Dry. Ook dit nummer werd nooit meer hernomen. Ook hoogspringen voor paarden op het menu, met achttien deelnemers. De eerste plaats werd gedeeld, beide paarden sprongen over 1m85.

Brandbestrijding

Het is niet duidelijk wat dit onderdeel juist inhield, feit is wel dat er een competitie was voor amateurs, gewonnen door een Portugees team uit Porto en professionelen, waar de overwinning naar de Amerikaanse ploeg uit Kansas City ging.

Lijnvissen

600 deelnemers, waaronder 560 Fransen en 40 inwoners uit 5 verschillende andere landen, die een reeks van vier competities afhaspelden.

Vrouwen toegelaten

Voor het eerst mochten ook vrouwen meedoen in tennis, golf, schieten, zeilen, paardrijden, croquet, vissen, ballonvaren, redden en in alle schoolproeven. Opvallend waren de lange kleren en de hoeden die de dames droegen.

image152_1.jpg

Drie dames in het croquet tornooi: Madame Suzanne Després (1875-1951), echtgenote van de voorzitter van de Franse croquetbond, Madame Filleaul-Brohy (1867-1937) en Mademoiselle Marie Ohier (1853-?), maar geen van hen overleefde de eerste reeks.
 
image025_1_polo.jpg

Van 6 tot 11 juli namen voor het eerst zeven vrouwen deel aan de tenniscompetitie. Charlotte Reinagle Cooper (1870-1966) kroonde zich tot eerste olympisch kampioen. Later won ze ook het dubbel gemengd met Reginald Doherty (1872-1910). In totaal zegevierde ze ook vijf keer in Wimbledon
 
image201.jpg

Op 3 oktober stonden er tien vrouwelijke golfers op het gras. De titel in nine-hole werd door de Amerikaanse Margareth Abbott (1878-1955) gewonnen zonder dat ze het ooit geweten heeft, zelfs niet toen ze in 1955 stierf. Hoe dit kon? Omdat in die jaren aan de winnaars nog geen gouden medailles werden uitgereikt, wel zilver voor de eerste en brons voor de tweede. In die algemene verwarring was zelfs dat niet gebeurd. Toen het IOC jaren later alle atleten met terugwerkende kracht met goud, zilver en brons beloonde, kwam die overwinning van Abbott boven, maar de dame was inmiddels overleden. De Franse deelneemsters vielen op omdat ze het hele tornooi met strakke rokken en hoge hielen speelden.

Succesvolle Belgen 

De Belgische ruiter Aimé Haegeman (1861-1935), won met zijn paard Benton II de jumping.

In het roeien zilver voor België in de acht met stuurman: Marcel Van Crombrugghe (1880-1940), Frank Odberg (1917-?), Oscar de Somville (1876-1938), Prospère Bruggeman (1873-?), Maurice Verdonck (1873-?), Oscar De Cock (1881-?), Maurice Hemelsoet (?-?), Jules De Bisschop (1879-1955) en Alfred Van Landeghem (?-?).

Brussels Swimming and Water Polo Club haalde zilver voor België en bestond uit Jean de Backer (?-?), Victor de Behr (?-?), Henri Cohen (?-1930), Fernand Feyaerts (1880-1927), Oscar Grégoire (1877-1947), Albert Michant (?-?), Victor Sonnemans (?-?), Guillaume Séron (?-?), Georges Romas (?-?), A.R. Upton (?-?) en Phillipe Houben (1881-?).

Charles Paumier du Vergier (?-?) won brons in het geweerschieten in drie posities vanop 300m. 

Boogschutter Louis Glineur (1850-?) won brons in het onderdeel ‘La perche à la pyramide’.

image027_5.jpg

Boogschuttter Hubert Van Innis (1866-1961) won twee titels en eindigde tweemaal tweede. Met zestien gouden en drie zilveren medailles domineerde Van Innis een halve eeuw lang het internationale boogschieten. Op zijn 67ste werd hij in Londen nog wereldkampioen. Overigens blijft er van zijn medailles niet veel over. Van Innis had de gewoonte om zijn plakken aan Jan en alleman weg te schenken.

image001_15.jpg

Emmanuel Foulon  (?- ?) won bij het boogschieten het onderdeel Sur la Perche à la Herse.

image003_15.jpg

Constant Van Langhendonck (1870-1944) sprong met zijn paard Extra Dry 6m10 ver in het onderdeel Mixed Long Jump, waarmee hij het nummer met veertig centimeter verschil won.

image004_37.jpg

Georges Nagelmackers (1845-1905), de stichter van het wereldberoemde ‘Wagon Lits’, won met zijn paard het onderdeel Mixed Four-in-Hand.

image006_33.jpg

Schutter René Guyot (1882-?) won zilver in het 'trap shooting’.

image007_7.jpg

De Belgische team dat brons haalde was de voetbalploeg van de Université de Bruxelles, de spelers kwamen uit verschillende Belgische ploegen: Albert Delbecque (?-? – Skill FC Bruxelles), Marcel Leboutte (?-? – Spa FC), Raul Kelecom (?-? – RFC Liège), Lucien Londot (?-? – RFC Liège), Ernest Moreau de Melen (1979-1968 - RFC Liège), Edmond Neefs (?-? – Sporting Leuven), kapitein Georges Pelgrims (?-? – Royal Léopold Club Bruxelles), Alphonse Renier (?-? – Racing Bruxelles), Émile Spannoghe (?-? - Skill FC Bruxelles), Eric Thornton (1882-1945 – Royal Léopold Club Bruxelles), Henrik van Heuckelum (1879-1920 - HBS Den Haag) en Camille Van Hoorden (1879-? – Racing Bruxelles).

image009_8.jpg

De Engelsman Eric Thornton (1882-1945) kwam aan de ULB studeren en verdedigde van 1903 tot 1907 het doel van Royal Léopold Club Bruxelles, daarna van 1907 tot 1911 dat van Beerschot.

Het Parijse elftal Club Français zou wedstrijden spelen tegen ploegen uit België, Engeland, Duitsland en Zwitserland. Die laatste twee landen kwamen uiteindelijk niet opdagen en Belgisch kampioen Racing Club de Bruxelles haakte eveneens af. Via krantenadvertenties nam de Université Libre de Bruxelles uiteindelijk de fakkel over, buiten de Belgische studenten werd de ploeg ook versterkt met de Nederlander Henrik van Heuckelum (1879-1920) en de Engelsman Eric Thornton (1882-1945), die beiden aan de ULB studeerden en bij Léopold Club Bruxelles voetbal speelden. Oorspronkelijk reisden slechts tien spelers af, maar Eugène Neefs die toevallig in Parijs aanwezig was vulde de leemte op. De Belgen werden met 6-2 overklast in de wedstrijd tegen de Fransen en gezien het om een directe eliminatie ging was hun Olympisch liedje meteen uitgezongen.